discussie over emancipatierol scholen slaat dood

14 december 2008

In de tweede kamer is door reacties van CDA, VVD en PvdA de voorzichtige heropening van het debat over de emancipatierol van het onderwijs direct doodgeslagen. Met bombastische verwijzingen naar het lang geleden mislukte experiment rond de middenschool, werd de suggestie van Minister Plasterk om nog eens na te denken over uitstel van studiekeuze, naar de prullenbak verwezen.

nederland verspilt talent

Minister Plasterk schreef onlangs een brief naar de Tweede Kamer over zijn voorgenomen beleid. Op de laatste pagina deed hij de voorzichtige suggestie dat we in Nederland misschien toch nog eens moeten nadenken over het uitstellen van de selectie van leerlingen voor een definitieve schoolloopbaan. Uit het internationale vergelijkende onderzoek van de OESO blijkt immers dat Nederland vergeleken met andere landen leerlingen op hun twaalfde al zeer vroeg laat kiezen voor een schoolloopbaan en daardoor relatief veel talent verspilt.

vernieuwingdrang = bemoeizucht

Deze zinsnede was voorzichtig geformuleerd, omdat Plasterk er zich van bewust is hoe gevoelig dit onderwerp ligt. Het Nederlandse onderwijs is conservatief. Er is zeer veel weerstand tegen opgelegde vernieuwingen van bovenaf, zelfs al is duidelijk dat de voorgenomen vernieuwingen beter zijn voor de leerlingen. De belangrijkste weerstanden zijn dat docenten in Nederland slecht kunnen omgaan met verschillen binnen één klas, dat schoolleiders en schoolbesturen (en vooral hun koepelorganisaties en verenigingen) vormen van samenwerking op zulke punt al snel als bemoeizucht ervaren en dat de religieuze koepels bang zijn dat de vrijheid van (religieus) onderwijs wordt aangetast.

decentralisatie als oplossing

Al jaren proberen de rijksoverheid en gemeenten dit probleem op te lossen door de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs steeds verder te decentraliseren naar scholen zelf. In de praktijk blijkt echter steeds weer dat verbetering van de kwaliteit van het onderwijs niet zomaar vanuit scholen zelf ontstaat. Politici worden op de problemen aangesproken en willen dan maatregelen treffen. Maar elke maatregel stuit vervolgens weer op weerstand vanuit het onderwijsveld.
discussie in tweede kamer over rapport Dijsselbloem

 

Begin dit jaar werd de zaak politiek verder op de spits gedreven door de Commissie Dijsselbloem, die de opdracht had deze knoop te ontwarren. De Commissie adviseerde dat de overheid wel mag aangeven wat de maatschappij van scholen verwacht, maar niet hoe. De uitwerking daarvan is dat scholen zelf, maar vooral ook docenten zelf, het best weten hoe kan worden lesgegeven. Het beroep van docent moet in ere worden hersteld. Hoe dat moet, gaf de commissie niet zo duidelijk aan. De vakbonden grepen het advies aan om loonsverhoging te vragen, de organisaties van schoolmanagers en besturen om de autonomie van scholen te vergroten. Tot nu toe zijn er nog maar weinig geluiden gehoord over hoe de kwaliteit van de docenten zelf en de effecten op leerlingen kunnen worden vergroot.

 

 

de school blijft voorlopig ongelijkheid reproduceren

In de Volkskrant van 13 december probeert geograaf Ewald Engelen de situatie te analyseren. Hij betreurt de verregaand politisering van het verheffingsstreven (zoals hij de emancipatierol van het onderwijs noemt) en verbaast zich waarom met name de PvdA politici zich op dit punt zo tegen hun eigen minister verzetten. Voor socialisten is het onderwijs altijd gezien als een van de middelen om iedereen te voorzien van gelijke kansen in de maatschappij. Een vroege schoolkeuze, al op twaalf jaar, veroordeelt het gros van de kinderen tot een schoolkeuze die nauw aansluit bij het milieu van hun ouders en de buurt waar ze opgroeien. Het moment van de schoolkeuze is dan ook een essentiële wissel in de richting die scholen aan kinderen geven. Bij een vroege schoolkeuze functioneert de school als instrument voor reproductie van maatschappelijke ongelijkheid. Hoe later of flexibeler de schoolkeuze is, hoe meer de school functioneert als instrument voor empowerment en maatschappelijke mobiliteit van jongeren.

wat heeft dat men homo-emancipatie te maken?

Hoewel deze richtingenstrijd oppervlakkig gezien weinig met homo-emancipatie te maken lijkt te hebben, hebben de huidige politieke beslissingen een grote impact op homo-emancipatie in het onderwijs.
Ten eerste is de onveiligheid rond homoseksualiteit op scholen niet een op zichzelf staand verschijnsel, maar iets wat zeer sterk samenhangt met scholen met grote groepen kansarme leerlingen, de daarmee samenhangende straatsfeer, de kliek- en bendevorming en machosfeer en het vaak ontbrekende klassen- en schoolmanagement van de algemene sociale klimaat.
Ten tweede heeft de uitwerking van het we geven aan wat , maar niet hoe beleid ook een direct belemmerend effect op de implementatie van homo-emancipatie in scholen:

Een meer samenhangend beleid rond de maatschappelijke rol van de school, emancipatie, veiligheid, zou emancipatie rond seksuele diversiteit aanzienlijk helpen. Maar voorlopig zit dat er niet in.

Peter Dankmeijer