kenniscentrum seksuele diversiteit in het onderwijs
29 september 2006 - Volgens de Nationale Jeugdraad staan leerlingen niet zo negatief staan ten opzichte van maatregelen om homo-emancipatie te bevorderen. Zij vragen vooral om betere regels voor omgangsvormen en goede voorlichting.
Dat blijkt uit onderzoek, dat de NJR dit voorjaar deed onder 529 jongeren en dat Astrid Mettendalf afgelopen week tijdens de bijeenkomst van de Adviesraad Homoseksualiteit en Onderwijs gepresenteerde. De gemiddelde leeftijd van de leerlingen was 16 jaar, waarvan 54% vmbo-leerlingen, 16% mbo, 21% havo, en 7% vwo. 73% van de leerlingen was autochtoon.
De leerlingen gaven aan dat zij graag seksuele voorlichting willen. Dat willen ze liefst via schoollessen (71%) of via posters en folders (21%). Men wil ook specifieke voorlichting over homoseksualiteit, liefst via schoollessen (71%). Maar homovoorlichting willen ze ook wel van iemand die homoseksueel of lesbisch is (29%) of van een deskundige (20%). Posters en folders scoren met 12% wat lager, en de mediatheek (2%) en de decaan (1%) vindt men niet zo waardevol.
De tolerantie is volgens NJR relatief hoog. Met de stelling: "het is vreemd wanneer iemand homoseksueel of lesbisch is", is 66% het eens en 17% het oneens. De acceptatie heeft iets te maken met of men zelf homo’s kent. Van alle leerlingen kent 67% iemand die homoseksueel of lesbisch is, 26% kent niemand. Uit het onderzoek blijkt dat de acceptatie stijgt wanneer de jongeren iemand kennen.
86% is het eens met de stelling dat homoseksuele leerlingen en docenten zich veilig moeten voelen op school en 67% vindt het belangrijk dat een docent aangeeft dat er over homoseksualiteit gesproken mag worden. Een nog hoger aantal leerlingen vindt dat een homodocent moet kunnen zeggen dat hij anders geaard is (76%).
Een kleine meerderheid van de leerlingen (60%) vindt dat er duidelijke regels moeten zijn om homodiscriminatie te voorkomen. De NJR beveelt daarom aan dat scholen homoseksualiteit bespreekbaar maken via een persoonlijke benadering. Scholen zouden homodiscriminatie specifiek moeten benoemen in het veiligheidsbeleid en concrete maatregelen moeten nemen.
De Nationale Jeugdraad is de landelijke koepel van jongerenorganisaties voor jongeren tussen de 12 en 30 jaar. onze organisaties geeft jongeren een stem. Jongeren moeten kunnen meedoen, meedenken en meebeslissen.
De NJR is een koepelorganisatie van landelijke jongerenverenigingen. Ledenorganisaties zijn bijvoorbeeld de politieke jongerenorganisaties (Dwars, JOVD, Jonge Socialisten), maar ook organisaties als CNV Jongeren, Jongeren Milieu Aktief, Jopla, SAMAH & TANS. Vanuit de homobeweging is Expreszo lid, hoewel dat strikt genomen geen jongerenvereniging is.
De NJR doet veel "empowerment" en politieke participatieprojecten. In het project “Ik Ben Geweldig” probeert de NJR bijvoorbeeld jongeren aan vrijwilligersorganisaties te koppelen. Een ander project is “Pimp my Block”. Jongeren worden beloond met een geldbedrag wanneer ze een plan hebben bedacht om hun achterstandsbuurt te verbeteren. Het geldbedrag is bedoeld om het plan ten uitvoer te brengen.
Vrijwel alle projecten worden geleid door jongeren. Jongeren nemen vaker iets aan van andere jongeren. Die methode noemt men Peer Education. onder deze noemer helpen jonge vrijwilligers andere jongeren om bijvoorbeeld een jongerenraad op te richten of om zich voor te bereiden op een debat met politici.
Het Jeugdraadpanel is het vaste onderzoekspanel van de Nationale Jeugdraad.
Jongeren kunnen hun mening geven via een vragenlijst die gaat over diverse maatschappelijke thema's. Het onderwerp van de vragenlijsten heeft altijd met hun leefwereld te maken. In 2006 worden onderzoeken gedaan naar homo-emancipatie op school, ten behoeve van het Nationaal Jeugddebat, over lezen en over werk- & leerervaring in het buitenland.
Het gaat om jongeren van 12 tot 21 jaar van vmbo, havo, vwo, mbo. Er is samenwerking met 11 scholen. Dankzij de medewerking van vooral maatschappijleerdocenten vullen de jongeren de enquête om de 3 maanden in.
De enquête vullen ze via internet in. Het gaat om een vragenlijst van gemiddeld 25 vragen. En het zijn bewust korte en duidelijke vragen, aangezien er veel vmbo leerlingen in het panel zitten. Dit instrument is ontwikkeld door Professor Micha de Winter van de Universiteit Utrecht. Het is dus sociaal-wetenschappelijk verantwoord onderzoek. (PD)