kenniscentrum seksuele diversiteit in het onderwijs
Fysiek geweld tussen leerlingen is de laatste jaren gelijk gebleven in het basisonderwijs, het speciaal basisonderwijs, het speciaal onderwijs en het praktijkonderwijs. In het vmbo, havo/vwo en voortgezet speciaal onderwijs is een toename te zien. Digitaal pesten is over de hele linie toegenomen. Scholen hebben zelden te maken met religieus extremisme, wel met wit extremisme, problemen rond loverboys en botsingen tussen autochtone en allochtone leerlingen. Directies zeggen dat er heel weinig incidenten rond homoseksuele leerlingen of leraren zijn. Het is echter mogelijk dat niet alle incidenten bij directies worden gemeld, waardoor zij onvoldoende weten wat er zich afspeelt.
Veel scholen hebben de laatste jaren werk gemaakt van hun veiligheidsbeleid. Ze registreren incidenten en nemen preventieve en curatieve maatregelen. Het voortgezet onderwijs loopt hier voorop vergeleken met het basisonderwijs. Nog steeds zijn er maar weinig scholen die leerlingen betrekken bij het veiligheidsbeleid, terwijl dat juist een succesfactor kan zijn. Het schoolbeleid is niet altijd bekend bij personeel en leerlingen en in de praktijk lukt het niet altijd om beleidsafspraken te handhaven.
De monitor Sociale veiligheid in het mbo maakt duidelijk dat er in vergelijking met de afgelopen jaren minder incidenten zijn en dat het veiligheidsgevoel van deelnemers en personeel toeneemt. Toch blijft een kleine groep zich onveilig voelen. Ook in het mbo is de aandacht voor veiligheidsbeleid toegenomen, maar ook hier worden deelnemers niet vanzelfsprekend betrokken bij de ontwikkeling en uitvoering van beleid en is het instellingsbeleid niet altijd bekend op de werkvloer.
De vertrouwensinspecteurs behandelden in 2006/2007 1.252 meldingen, dat is iets minder dan het jaar daarvoor. De meeste meldingen gaan over psychisch of fysiek geweld. Er kwamen meer meldingen dan voorheen uit het basisonderwijs. Dat kan wijzen op het verschuiven van problemen naar jongere leeftijdsgroepen. De vertrouwensinspecteurs kregen 32 meldingen van discriminatie en drie meldingen van radicalisering.
Sinds 2006 benadrukken de sectorwetten de socialiseringsfunctie van het onderwijs door nadrukkelijk te verwijzen naar de burgerschapsopdracht voor scholen. Van de verschillende aspecten van burgerschap vinden scholen sociale vaardigheden, aanleren van beleefdheid en fatsoen en bevorderen van basiswaarden het meest van belang. Die komen in de praktijk ook het meest aan de orde. Minder aandacht besteden scholen aan kennis van democratie en kennismaking met andere culturen.
Een heldere visie is een voorwaarde voor een succesvolle verdere ontwikkeling van burgerschap in het onderwijs. De meeste scholen hebben wel een visie, maar die is weinig uitgewerkt en beperkt zich vaak tot algemene formuleringen. Het merendeel van de scholen stelt geen of alleen algemene doelen. Scholen hebben wat hun visie en doelen betreft wel vorderingen gemaakt. Veel scholen hebben materialen voor het vormgeven van het burgerschapsonderwijs en zien geen belemmeringen om dit onderwijs in de nabije toekomst verder te ontwikkelen.
Vergeleken met vorig jaar is vooruitgang te zien, maar er is ook nog veel te doen. Scholen kunnen hun visie nog nader uitwerken, hun doelen concretiseren en hun aanbod planmatiger vormgeven en realiseren. Schoolbesturen kunnen hierbij een stimulerende en aansturende rol vervullen. In het algemeen is meer kennis nodig over effecten en effectiviteit van onderwijsvormen en materialen. Evenals voorgaande jaren onderzocht de inspectie de themas sociale veiligheid en sociale cohesie in het basisonderwijs, voortgezet onderwijs en speciaal onderwijs met behulp van vragenlijsten voor directies. Daarbij zijn representatieve steekproeven gebruikt van 328 basisscholen, 71 scholen voor speciaal basisonderwijs, 71 scholen voor praktijkonderwijs, 68 vmbo-scholen, 71 scholen voor havo/vwo, 70 scholen voor speciaal onderwijs en 39 scholen voor voortgezet speciaal onderwijs. Een deel van de steekproeven is kleiner dan in voorgaande jaren. Hoewel controles op representativiteit en selectieve respons zijn uitgevoerd en waar nodig weging is toegepast, zijn de gegevens mogelijk iets minder robuust.
Een zeer klein deel van de scholen in alle sectoren wordt geconfronteerd met religieus georiënteerd extremisme bij leerlingen. Wit extremisme komt veel vaker voor, vooral in het praktijkonderwijs en het vmbo (tabel 12.1.1e). Ook komen op veel scholen, met uitzondering van het basisonderwijs, botsingen voor tussen autochtone en allochtone leerlingen. Ten slotte heeft een aanzienlijk deel van de scholen in het voortgezet onderwijs last gehad van loverboys. Incidenten waar homoseksuele leraren of leerlingen bij betrokken waren, deden zich uitsluitend voor in het voortgezet onderwijs. Er zijn meer vso-scholen dan vorig jaar die incidenten rond homoseksualiteit rapporteren.
Tabel 12.1.1e Percentage scholen per sector die in 2006/2007 te maken hadden met
loverboys, vormen van extremisme en incidenten tussen diverse groepen leerlingen
| PO: Bao | PO: Sbao | VO: praktijk | VO: Vmbo | VO: HAVO-VWO | SO: So | SO: Vso | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Loverboys | 1 | 4 | 30 | 20 | 17 | 4 | 5 |
| Religieus extremisme | - | - | 3 | 2 | 3 | - | 5 |
| Wit extremisme | 2 | 1 | 27 | 20 | 9 | 3 | 13 |
| Incidenten all en aut leerlingen | 7 | 27 | 48 | 34 | 30 | 17 | 33 |
| Homoseksualiteit | - | - | 7 | 11 | 7 | - | 8 |
Bron: Inspectie van het Onderwijs, 2007
Groen: daling van 10 procent of meer in vergelijking met het voorgaande schooljaar
Oranje: stijging van 5 10 procent in vergelijking met het voorgaande schooljaar
Rood: stijging van 10 procent of meer in vergelijking met het voorgaande schooljaar
De percentages scholen met incidenten rond homoseksuele leerlingen of leraren zijn van jaar tot jaar ongeveer hetzelfde. Het is echter waarschijnlijk dat achter de betrekkelijk lage percentages uit tabel 12.1.1e een grotere problematiek schuilgaat. Leerlingen en leraren melden allerlei incidenten vaak niet aan de schoolleiding, laat staan incidenten waarbij ze moeten vertellen dat die met hun homoseksualiteit te maken hebben. Om dezelfde reden, problemen met het melden van incidenten, komt discriminatie van homoseksualiteit ook in andere statistieken minder naar voren dan bijvoorbeeld discriminatie op grond van ras (Davidovic & Rodrigues, 2007). Hoewel Nederland internationaal gezien in het algemeen vooroploopt in de acceptatie van homoseksualiteit (Keuzenkamp, 2007; Keuzenkamp e.a., 2007), is bekend dat jongeren relatief ongunstig over homoseksualiteit denken. Zo zou 8 procent van de jongeren een vriendschap verbreken als een vriend of vriendin homoseksueel is. Voor allochtone jongeren geldt dat sterker dan voor autochtone (OCW, 2007b).
Homoseksuele leerlingen voelen zich onveiliger op school dan andere leerlingen (OCW, 2007b) en homoseksuele leraren in het voortgezet onderwijs lopen een groter risico op discriminatie en andere incidenten dan hun collegas (Mooij, 2007). Dat geldt ook voor het mbo (Neuvel, 2007b). (p.211)
Scholen zijn niet verplicht in de uitwerking van hun veiligheidsbeleid aandacht te besteden aan homoseksualiteit. Volgens Van Kessel & Sikkes (2007) besteedt hooguit 10 procent van de basisscholen en 14 procent van de scholen voor voortgezet onderwijs expliciet aandacht aan agressie tegen homoseksueel onderwijspersoneel. Mooij (2007) constateert dat slechts 1 procent van de beleidsplannen op het gebied van sociale veiligheid passages over homoseksualiteit bevat. Dat het onderwerp in het onderwijs nog vaak wordt genegeerd (vanuit het idee dat het op de eigen school niet speelt) of zelfs taboe is, blijkt onder meer uit het feit dat veel scholen bevreesd waren om aan pilots over homoseksualiteit mee te doen (Kuyper, Vanwesenbeeck & Dankmeijer, 2007).
Bron: Inspectie van het Onderwijs (2007), De staat van het onderwijs. Onderwijsverslag over het jaar 2006-2007, Den Haag, SDU